Probleemoplosvaardigheden

3-3-2015

Bij de hogere denkvaardigheid ´probleem oplossen´ gaat het om het (h)erkennen van een probleem en tot een plan kunnen komen om het probleem op te lossen. Meer specifiek gaat het om de volgende kennis, (deel)vaardigheden en houdingen:

  • problemen kunnen signaleren, analyseren en definiëren;
  • kennis van strategieën om met onbekende problemen om te gaan;
  • oplossingsstrategieën kunnen genereren, analyseren en selecteren;
  • het creëren van patronen en modellen;
  • kunnen nemen van beargumenteerde beslissingen.

Zelf opdrachten ontwikkelen

Leermateriaal waarmee probleemoplosvaardigheden kunnen worden ontwikkeld heeft de volgende kenmerken:

  • Een realistische beginsituatie, zodat de leerlingen zich een beeld kunnen vormen van het probleem (given state).
  • Een helder beschreven, realistisch doel/eindsituatie, zodat de leerlingen inzicht krijgen wat het gewenste resultaat is (desired goal). Op een hoger taal- en denkniveau kan het formuleren van het gewenste resultaat een deel van de opdracht zijn.
  • Informatie die leerlingen van A naar B leidt ontbreekt. Daarnaast kunnen barrières de uitvoering van de opdracht (nog) moeilijker maken.
  • Regels en richtlijnen die duidelijk maken wat wel of niet mag of kan bij het oplossen van het probleem.

En bij voorkeur:

  • Duidelijk beschreven bronnen die bijdragen om van A naar B te komen.
  • Veel ruimte voor eigen inbreng: leerlingen worden gemotiveerd om individueel en/of als een groep hun eigen stem, kennis, vaardigheden, strategieën in te zetten (eventueel ook om tot het individuele- of groeps 'product' te komen).

Suggesties

1. Technieken die bij probleem oplossen in het Engels ingezet kunnen worden zijn:

  • Brainstormen: met een groep een zo groot mogelijk aantal oplossingen bedenken, vervolgens de oplossingen met elkaar in samenhang brengen en zo gezamenlijk tot een zo goed mogelijke oplossing komen.
  • Verdeel en heers: een probleem in onderdelen knippen om vervolgens de kleinere gehelen op te lossen. Daarna alles weer samenbrengen.
  • Bewijs het!: Probeer te bewijzen dat het probleem niet opgelost kan worden. Het punt dat niet bewezen kan worden, kan de start zijn voor de zoektocht naar de oplossing.
  • Vergelijk: zoek een probleem dat er op lijkt en kijk wat daar mogelijke oplossingen voor zijn.
  • Wat ligt eronder: identificeer de bron van het probleem en kijk of daar iets kan veranderen.
  • Trial-and-error: door dingen uit te proberen erachter zien te komen wat de oplossing van een probleem zou kunnen zijn.

2. Docenten kunnen onderstaande checklist gebruiken voor een opdracht waarin problemen oplossen centraal staat. Als leerlingen de vijf vragen met een 'ja' beantwoorden, is het een duidelijk geformuleerde opdracht waarmee ze aan de slag kunnen:

  1. Is de beginsituatie helder? Ken ik alle feiten die er zijn?
  2. Is het doel helder? Weet ik hoe een goede oplossing eruit ziet?
  3. Zijn alle bronnen helder? Weet ik waar ik over kan beschikken bij het oplossen van het probleem?
  4. Zijn de regels duidelijk? Weet ik wat ik wel en niet mag doen?
  5. Mag ik zelf iets inbrengen? Zo ja, wat en wanneer?