Nieuwe opdrachten maken

24-2-2015

Het maken van opdrachten waarin een beroep wordt gedaan op hogere denkvaardigheden is tijdrovend en vereist over het algemeen veel creativiteit. Vaak zijn deze opdrachten ook alleen te gebruiken bij een specifiek onderwerp. Er bestaan echter ook generieke werkvormen waarin een beroep wordt gedaan op hogere denkvaardigheden. Deze werkvormen kunt u gebruiken bij verschillende onderwerpen en in verschillende leerjaren. Hieronder staat een beknopt overzicht van werkvormen die grotendeels ontleend zijn aan de drie bundels Actief Historisch Denken (Aardema,  Havekes,  van Rooijen & de Vries, 2004,  2005, 2011).  

Welk Woord Weg

Een werkvorm die bij veel onderwerpen gebruikt kan worden en relatief weinig tijd kost, is 'Welk Woord Weg' (of varianten daarvan zoals 'Welke Afbeelding Weg'). Leerlingen krijgen één of meer reeksen van drie of vier begrippen, personen of gebeurtenissen. Bij elke reeks moeten zij beredeneren welk begrip, welke persoon of gebeurtenis niet in het rijtje thuishoort. Bij deze werkvorm gaat het niet zozeer om het antwoord als wel om de redenering die leerlingen hebben gevolgd bij het antwoorden. Een belangrijk kenmerk van dit soort opdrachten is dat er soms verschillende antwoorden mogelijk zijn. Om de discussie te bevorderen verdient het aanbeveling deze opdracht in groepjes te laten maken en de opdracht klassikaal na te bespreken.

Sudocu

De historische sudocu is een, moeilijke, werkvorm die bij nagenoeg elk onderwerp gebruikt kan worden. Leerlingen krijgen twaalf begrippen voorgeschoteld. Negen daarvan moeten zij zodanig in de sudocu plaatsen, dat elk begrip een relatie heeft met nevenstaand, onderstaand en/of bovenstaand begrip. In deze opdracht gaat het er dus om dat leerlingen leren relaties aan te brengen tussen begrippen om zodoende een beter begrip van het onderwerp te ontwikkelen. De opdracht is iets eenvoudiger te maken door het aantal begrippen tot negen te beperken, zodat de leerlingen zelf geen keuze hoeven te maken.

  • Zie voor een uitgewerkt voorbeeld: Aardema, A., Havekes, H., & Vries, J. de (2011). Leerlingen construeren het verleden. Actief Historisch Denken 3. Boxmeer: Stichting Geschiedenis, Staatsinrichting en Educatie.
  • Zie voor voorbeelden bij de eerste vijf tijdvakken: http://maike.nl/actief-historisch-denken/sudocu.html

Diamant

In de werkvorm diamant bepalen leerlingen het relatieve belang van negen personen, gebeurtenissen en/of ontwikkelingen voor een onderwerp. Uiteraard kunnen leerlingen gewoon een lijstje maken waarin zij de belangrijkste personen, gebeurtenissen en/of ontwikkelingen in volgorde van belangrijkheid plaatsen. Gebruik van de werkvorm diamant heeft echter als voordeel dat leerlingen aan bepaalde items een even groot gewicht kunnen toekennen. Omdat niet het uiteindelijke resultaat bij deze werkvorm het belangrijkst is, maar de discussie, is het goed de opdracht in groepjes te laten maken en deze klassikaal na te bespreken, waarbij de motivatie voor de redenering bij de 'ranking' centraal staat. Uiteraard moeten de leerlingen bij deze opdracht criteria hanteren. U kunt de opdracht introduceren in een gesprek met alle leerlingen waarin u samen met hen deze criteria bepaalt. Uiteraard kunt u hierbij, zo nodig, sturend optreden. Maar u kunt de leerlingen de criteria ook vooraf geven.
Een variant op de werkvorm Diamant is de heteluchtballon. Een aantal personen, gebeurtenissen en/of ontwikkelingen die voor een onderwerp van belang zijn, zijn 'passagiers' in een heteluchtballon. De ballon komt plotseling in een storm terecht en om te kunnen overleven moeten een of meer passagiers overboord worden gezet. De klas wordt verdeeld in groepjes. Elk groepje bepaalt welke personen, gebeurtenissen en/of ontwikkelingen overboord moeten. Uiteraard is dit het lot van de minst belangrijke personen, gebeurtenissen of ontwikkelingen.

Bio-gedicht

Hoofdstukken of paragrafen waarin één of meer personen een prominente rol spelen, lenen zich goed voor een werkvorm die Bio-gedicht wordt genoemd. Leerlingen verplaatsen zich in een persoon en schrijven vervolgens een 'biografisch gedicht' waarin een beeld wordt geschetst van die persoon.

Levenslijn

De werkboeken van de geschiedenismethoden vertonen tamelijk veel overeenkomsten. Een hoofdstuk (paragraaf) begint met een opdracht waarin voorkennis wordt geactiveerd. Hierna volgen opdrachten met veelal een reproductief karakter, waarna er nog een of meer opdrachten volgen waarin een beroep wordt gedaan op vaardigheden. Soms wordt een hoofdstuk (paragraaf) dan nog afgesloten met een opdracht waarin de leerstof wordt samengevat of met een toepassingsopdracht. De levenslijn is zo'n opdracht die incidenteel gebruikt wordt als toepassingsopdracht. Aan het eind van de paragraaf kan de leerling hierin laten zien wat hij van de paragraaf heeft opgestoken. In plaats van met deze opdracht de paragraaf (eventueel het hoofdstuk) af te sluiten, kunt u er echter ook mee beginnen. Hij krijgt daarmee wel een totaal ander karakter. In plaats van kennis toepassen, gaat de leerling nu kennis verwerven. Op deze manier kan de opdracht ook gebruikt worden om te differentiëren.

Opdrachten bij meer dan één bron

Veel opdrachten hebben bij het vak geschiedenis betrekking op één bron (waarbij je je vaak kunt afvragen of er niet eerder sprake is van leesvaardigheid dan van geschiedenis). Het uitbreiden van het aantal bronnen tot twee of meer biedt vaak nieuwe mogelijkheden om de opdracht tot een hogere denkvaarheidsopdracht te maken. bijvoorbeeld door:

  • te vragen naar overeenkomsten en verschillen (met betrekking tot een bepaalde vraag)
  • te vragen welke bron het beste past bij een bepaalde uitspraak, het best voldoet aan bepaalde criteria enz. enz.
  • te vragen welke bron past bij een bepaalde stroming, bepaalde godsdienstige overtuiging enz.
  • Uitgewerkt voorbeeld van een opdracht met meer dan één bron.

Opdrachten over oorzaak en gevolg

Het kunnen omgaan met de begrippen oorzaak en gevolg is een van de historische vaardigheden die leerlingen moeten leren beheersen. In werkboeken wordt van leerlingen vaak slechts gevraagd oorzaken of gevolgen te reproduceren uit het tekstboek. U kunt leerlingen echter ook vragen in gegeven bronnen zelf op te zoek te gaan naar oorzaken en gevolgen van een bepaalde gebeurtenis en deze vervolgens te rubriceren in categorieën als belangrijk/minder belangrijk, korte termijn/lange termijn of bedoeld/onbedoeld. Een aantal gebeurtenissen zouden ze ook in een oorzaak-gevolg keten kunnen plaatsen, waarbij ze moeten uitleggen hoe een gevolg kan veranderen in een oorzaak.

  • Uitgewerkt voorbeeld van een opdracht over oorzaak/gevolg

Onderzoeksvragen bedenken

Het kunnen formuleren van historische onderzoeksvragen en het formuleren van hypotheses is een belangrijke historische vaardigheid. Je hoeft leerlingen geen onderzoek te laten doen om hen met deze vaardigheid te laten oefenen. Vraag hen bijvoorbeeld eens om bij een gegeven tekst of afbeelding één of meer historische onderzoeksvragen te bedenken. Hierbij kan de aard van de vraag vrij zijn, maar ook voorgeschreven. In dat laatste geval kan de docent zelf een keuze maken uit een of meer van de volgende vraagtypen, maar de keuze ook aan de leerlingen laten:

  • beschrijvend
  • verklarend
  • vergelijkend
  • evaluerend

Opdrachten over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van bronnen

Leerlingen moeten niet alleen leren informatie te verwerven uit bronnen, maar ze moeten bronnen ook kunnen beoordelen op bruikbaarheid. In hoeverre bevat een bron informatie die helpt bij het beantwoorden van een vraag? Ook moeten zij leren hoe zij kunnen beoordelen of de informatie in de bron betrouwbaar is in relatie tot die vraag. U kunt leerlingen een of meer bronnen geven en vervolgens vragen of de bron op een bepaalde vraag wel of geen (betrouwbare) informatie geeft. U kunt hen ook vragen zelf een vraag te bedenken waarop de bron een antwoord geeft.

  • Uitgewerkt voorbeeld van een opdracht over bruikbaarheid en betrouwbaarheid van bronnen.