Nieuwe opdrachten wiskunde

7-4-2015

Als u zelf een denkopdracht wilt ontwerpen, moet u eerst nadenken over wat u ermee wilt bereiken. Als dat duidelijk is, kunt u de opgave vorm en inhoud geven.

Gaat het daarbij om het appelleren aan hogere denkvaardigheden en het stimuleren van wiskundige denkactiviteiten, dan kunnen onderstaande tips u hierbij helpen.

Wat wilt u dat de leerlingen gaan doen?

Denk aan opdrachten waarin:

  • Leerlingen een wiskundig proces of patroon beschrijven of extrapoleren en het daarna toepassen op een onbekend probleem.
  • Leerlingen foute en/of ontbrekende informatie benoemen.
  • Leerlingen worden uitgedaagd een opgave op meer dan één manier op te lossen.
  • Leerlingen vragen moeten beantwoorden van het soort: “Gegeven … , wat zou er gebeuren als … verandert? Aan de hand van een antwoord en een wiskundig concept moeten leerlingen hun eigen opgaven of vergelijkingen opstellen die leiden tot het gegeven antwoord.
  • Leerlingen hun oplossing verdedigen of moeten kiezen uit een aantal mogelijke oplossingen en hun keuze van de “beste” of “meest correcte” oplossing onderbouwen.

Hoe zou u uw opgaven vorm kunnen geven?

Denk aan opdrachten waarin:

  • Gebruik wordt gemaakt van verschillende bronnen, zoals grafieken, tabellen, vergelijkingen, figuren en gegevensverzamelingen.
  • Bij meerkeuzevragen de antwoorden op de vragen logisch zijn en het juiste antwoord niet anders van structuur is dan de onjuiste antwoorden.
  • Handelingswerkwoorden voorkomen, die passen bij hogere denkvaardigheden: analyseer, onderbouw, leg uit, pas toe, interpreteer, vergelijk, schat, voorspel, bewijs, formuleer, pas aan, classificeer, orden. Dit kan een mooie start zijn, maar het werkwoord garandeert natuurlijk niet een hogere denkopdracht.